vrijdag 30 mei 2014

Lily

Het was een sombere, troosteloze dag vandaag. Ondanks het druilerige weer ben ik een eind gaan wandelen in het bos. Ik pleeg dit te doen als de stilte thuis me bedrukt.

Ik woon hier nog niet zo lang, pas sinds de breuk waarna ik in allerijl nieuwe woonruimte moest zoeken. Het huis is klein, oud, en donker, maar het ligt aan de rand van een groot bos dat ik nog steeds aan het verkennen ben.

Het bos ligt op een heuvelachtig terrein, relikwie van de gletsjers van de laatste ijstijd. Gewoonlijk zoek ik de paden op die heuvelop leiden, gedreven door een instinct om de hoogte en het licht te zoeken. Vandaag echter koos ik in een opwelling vooral paden heuvelafwaarts en kwam zodoende in een deel van het bos dat me nog onbekend was.

Zoals hoogte tot lucht en licht leidt, zo voert diepte ons naar duister water. Aan het einde van een pad dat die naam nauwelijks mocht dragen trof ik een ven aan. Het ven was, schat ik, zeker honderd meter lang en half zo breed. Het water leek zwart en weerspiegelde de lucht en overhangende bomen rimpelloos. De gestage motregen van die dag was opgehouden, of bereikte deze plek niet, en het water was onberoerd.

Ook de lucht was stil. Geen zuchtje wind, geen vogel die floot, geen insect dat zoemde. Hierdoor kon ik de zachte plons die af en toe opklonk toch horen. Het leek steeds van dezelfde plek te komen, en de kringen in het water die na iedere plons verschenen maakten het me makkelijk die plek te vinden.

Ik weet niet waarom ik erheen liep. Het zal nieuwsgierigheid zijn geweest. Denk ik.

Onder een wilg aan de rand van het ven zat een vrouw. Een jonge vrouw, dacht ik eerst, maar toen ik naderbij kwam en haar gezicht kon zien stelde ik dat bij. Haar ogen hadden veel gezien, haar wangen waren vaak nat geweest. Ik kon haar leeftijd niet schatten. Haar lange witte jurk, met een brede zwarte riem om het middel, was vuil van de bosgrond. Ze had haar knieën opgetrokken en haar rechterarm eromheen geslagen, met haar linkerhand wierp ze verveeld steentjes in het water, die ze met een groot mes uit de bosbodem peuterde. Plons.

Ze liet niet merken dat ze mijn nadering opmerkte, maar toen ik nog maar een paar meter van haar af was zei ze, zonder me aan te kijken:

"Man. Ga weg."

Ik draaide me op mijn hakken om en liep de andere kant op voor ik doorhad wat er gebeurde. Nog verbaasd daarover hoorde ik de vrouw achter me zeggen:

"Nee, wacht, nog niet. Kom hier."

Mijn benen, mijn voeten wilden alweer omdraaien, maar nu was ik erop bedacht en verzette me. Ik deed nog een aantal passen bij de vrouw vandaan, maar toen bedacht ik me plots dat ik erg graag naar haar toe wilde, naast haar wilde plaatsnemen, en naar haar wilde luisteren. Nu draaide ik me dus uit vrije wil om en ging naar haar toe.

Het was vrije wil, toch?

Ik zat aan haar rechterzijde. Beiden waren we tegen de wilg geleund en keken uit over het zwarte water, dat weer rimpelloos was nu de vrouw geen stenen meer wierp. Na een lange stilte, die niet ongemakkelijk was maar wel vol gespannen verwachting, vroeg ze me:

"Ben je wel eens eenzaam?"

Ik had niet de neiging om te antwoorden. Ze verwachtte geen antwoord, maar leidde haar verhaal in.

"Het was een gearrangeerd huwelijk," stak ze van wal, met een toonloze stem.
"Het was geregeld door een man die mijn bruidegom met 'vader' aansprak, maar ik weet niet zeker of hij dat ook werkelijk was. Ze deden vrij afstandelijk tegen elkaar.

Ik herinner me weinig van de omstandigheden van het arrangement. Het is lang geleden, zo lang... Ik meen dat hij de enige kandidaat was."

Haar stem kreeg iets meer kleur, iets meer warmte.

"Voor mij was hij in ieder geval de enige. Ik werd geroepen om hem te ontmoeten en ik kwam. Toen ik hem eenmaal gezien had wilde ik maar een ding: hem. En hij wilde mij, dat was duidelijk te zien.

Dingen gingen snel, in die tijd. We hoefden gelukkig niet lang te wachten. Dezelfde dag nog waren we man en vrouw - dezelfde nacht werden we minnaars."

De vrouw zweeg even. Er was geen hint van een glimlach rond haar lippen, maar haar donkere ogen leken wat zachter.

"Die nacht ben ik niet vergeten. We verkenden en ontdekten elkaar, zoals het zo mooi heet. Het was ook mooi. Die nacht nog wel."

Haar blik vertoebelde, haar stem werd killer.

"Het duurde niet lang. Mijn bruidegom was lief en ik had hem lief, maar hij was week en weerloos. Onzeker over zijn rol in ons huwelijk. Het gaf niet, ik hield van hem en wilde hem steunen. Ik wilde samen met hem ontdekken hoe we elkaar konden aanvullen en zo meer en sterker worden dan we apart waren. Helaas luisterde hij meer naar de vader dan naar mij, en die had uitgesproken meningen daarover.

Het eerst merkte ik het in bed. Steeds minder vaak mocht ik mijn man berijden, steeds vaker drukte hij me neer met zijn lichaam. En hoewel ik met liefde hem alle soorten genoegens wilde bereiden, stond het me tegen daarvoor steeds vaker op mijn knieën te moeten gaan.

Toen merkte ik overdag ook verschil. Dingen die hij eerst van me vroeg werden langzamerhand als vanzelfsprekend aangenomen. Verzoeken werden zoetjesaan opdrachten, eisen. Uiteindelijk verwachtte hij gewoon gehoorzaamheid, en ontnam mij alle vrijheden die hij zichzelf wel permitteerde. Soms sloeg hij me.

Ik heb gesoebat, ik heb geruzied, ik heb gesmeekt. Ik heb me op mijn knieën vernederd voor de vader, hem gebeden op te houden mijn lief te vergiftigen met zijn ideeën en me hem terug te geven als liefhebbende echtgenoot. Hij verwaardigde zich amper om te antwoorden, maar maakte mij duidelijk dat mijn plaats als vrouw was ondergeschikt te zijn aan de man.

Dus ging ik weg. Ik verliet mijn man."

Ze klonk nu troosteloos, verlaten. Ik onderdrukte de neiging om haar hand te pakken.

"Ik wilde mijn eigen leven bepalen, mijn eigen waarde vinden. Niet iemands bediende zijn. Dus moest ik gaan.

De vader stuurde drie boodschappers achter me aan, om me te vinden en op te dragen terug te komen. Ik vluchtte en hield me verborgen, maar uiteindelijk vonden ze me. Ik weigerde om met ze mee te gaan. Ze dreigden me. Nogmaals weigerde ik om te keren. Ik kafferde ze uit tot ze me uiteindelijk met rust lieten.

Vervolgens werd ik verguisd. Ik werd zwart gemaakt. Men roddelde dat ik mijn man onder de plak wilde houden. Er werd geopperd dat ik niet eens van mannen hield. Ik zou een hoer zijn, een secreet, een heks, een duivelin. Ik werd uitgekotst. Nog steeds, nog steeds word ik neergezet als een slechte vrouw die haar plaats niet kent."

De stem van de vrouw was nu als ijzer, even zwart als het water, en even strak. En brak toen.

"Ondertussen hertrouwde mijn lief, nu met een vrouw die wel onderdanig wilde zijn. Dat ze hem binnen de korste keren een streek leverde werd op de koop toe genomen, en werd gebruikt als excuus voor haar onwaardige behandeling. De domme zeug. En opvoeden kon ze ook al niet. Waarom wilde hij mij niet zoals ik was?"

Het bleef lang stil.

Met een bruuske beweging stond ze op, pakte haar mes en stak dat achter haar riem. Toen boog ze zich naar me toe en siste:

"Sindsdien ben ik alleen geweest. Slechts af een toe heb ik 's nachts een man die mij toelaat - en ik ben weg voordat hij de natte plek van zijn zaad voelt. En dat is hol. Al die tijd verlang ik naar mijn bruidegom zoals hij was voor zijn geest vergiftigd werd, en al die lange tijd ben ik eenzaam. Het voelt als zesduizend jaar. Zesduizend jaar eenzaamheid."

Met die woorden draaide ze zich om en liep het water in. Zonder aarzelen liep ze door tot het water zich boven haar hoofd sloot - ik had niet gedacht dat het ven zo diep was. Volledig verrast bleef ik bewegingloos zitten, en toen ik bij mijn positieven kwam was er niets meer wat ik kon doen. Het oppervlak van het water was weer rimpelloos, niet verstoord door luchtbellen. Ik dacht even dat ik de vrouw gedroomd had, maar de plek bosgrond waar ze gezeten had was nog een beetje warm.

Uiteindelijk stond ik op om naar huis te gaan. Daarbij viel mijn oog op een inkerving in de bast van de wilg, waar de vrouw met haar rug tegenaan gezeten had. Het was een verse inkerving: een hart met een pijl erdoor, met aan weerskanten de initalen "A" en "L".

Geen opmerkingen:

Een reactie posten