maandag 26 december 2016

Buurtbende - Peter

We hadden een plannetje gemaakt. We zouden ons ‘s middags verzamelen bij de Kuil en van daaruit naar de kalksteenrotsen fietsen op een Geheime en Gevaarlijke expeditie. We moesten voldoende proviand meenemen om minstens veertien dagen mee toe te kunnen. En onze ouders mochten niets weten.

We waren hongerige elfjarigen. Voor veertien dagen proviand meenemen zonder dat je ouders het merken is best lastig. Toch lukte het ons om meer boterhammen mee te krijgen dan nodig was voor een enkele zomermiddag. Angela had zelfs een zak chips bij zich en Freddy had dropjes. Verder waren Roel en Peter er, en ik natuurlijk.

Waarom mochten onze ouders niets weten? Ach, je weet hoe ouders zijn: overbezorgd. Er waren recent twee kinderen uit het dorp verdwenen, spoorloos. Ik wist dat heel goed want de moeder van een van die kinderen was een vriendin van mijn moeder en kwam wel eens op bezoek. Die vermiste kinderen woonden echter niet eens in onze wijk en zaten niet op onze school. Wat kon ons nou gebeuren?

We inspecteerden onze voorraden en vertrokken toen in de richting van de kalksteenrotsen waar de grotten waren, ongeveer een half uur fietsen in oostelijke richting.

“Wacht even”, hoor ik u denken. “Grotten? Kalksteenrotsen, daar in dat platte natte rivierenland? Die zijn daar helemaal niet!”
Misschien niet volgens de atlas, maar die is maar van papier en wordt gemaakt door volwassenen. Er zijn grotten in elke buurt waar kinderen opgroeien. Zonder rotsen, bergen, woestijnen en meren is geen jeugd compleet. De geografie schikt zich naar deze noodzaak. Bovendien - met een half uur fietsen naar het oosten was je al bijna in Duitsland. Daar kon je van alles vinden.

We kwamen er warm en bezweet aan. De rotspartij lag in een gebied waar weilanden langzaam maar zeker overgingen in een steenachtige, dorre bodem, die zich vervolgens verhief in een brokkelige grijze massa van bijna een kilometer in het rond. Het hoogste punt was ongeveer dertig meter hoog, maar het merendeel bleef tussen de tien en twintig meter. Er waren makkelijk te beklimmen stukken, en gladde steile hellingen die een wisse dood beloofden. Er waren scheuren en kieren en spleten, en overhangende rotsen en enorme losse keien die wankel balanceerden op een top. Er groeiden distels en paardenbloemen en taaie struikjes. Er zoemden vliegen en er liepen muizen. Hagedissen en slangen kropen er en lagen in de zon. Een enkele keer klauterde er een verdwaalde geit rond.

Ik had een rugzak meegenomen omdat ik bijzondere stenen verzamelde en hoopte er hier wat te vinden.

We gooiden onze fietsen op de grond en gingen dadelijk op zoek naar de grotten. We wilden dat die er waren dus ze moesten er zijn, ook al hadden we ze al de keren dat we hier eerder waren nooit gezien.

Het kostte een uur klauterend zoeken voordat Roel de ingang vond. Deze zat aan de westkant van de rotspartij, ongeveer vijfhonderd meter van waar we de fietsen hadden gelaten.
Roel stond aan de voet van een steil stuk van de kalksteenrotsen. Het was daar bezaaid met keien en stukken rots, alsof er regelmatig delen van de rots naar beneden vielen en in stukken uiteen spatten als ze op de grond neerkwamen. Er waren vreemd gevormde keien bij. Als je je ogen half dicht kneep en je fantasie gebruikte leken sommige wel een stuk van een arm of een been of een hoofd, alsof er standbeelden naar beneden waren gegooid. Lelijke en misvormde standbeelden; de keien die een beetje op lichaamsdelen leken waren grof en hadden niet de juiste proporties. Ik nam me voor om voor we naar huis gingen een of twee aparte stenen uit te zoeken om mee te nemen.

De grotopening zat vijftien meter hoog en de steile rotswand leek niet te beklimmen. Hij lag echter ook maar drie meter onder de plaatselijke top van de rots. Die top was makkelijk via een andere route te bereiken. We zouden ons vanaf daar kunnen laten zakken of vallen naar de ingang. Door de helling van de rots stak de vloer wat verder uit dan de bovenkant, een richel vormend van misschien een halve meter diep.

We wilden al op weg gaan maar Angela hield ons tegen.
“Het zal daarbinnen donker zijn. Niemand heeft zeker een zaklamp meegenomen? Dan moeten we takken zoeken, en droog gras, om fakkels van te maken.”

Het duurde een uur om materiaal voor de fakkels te verzamelen en om bovenop de rots te komen. De middag begon al te vorderen en het was nu echt warm.

“Dit is nog best hoog”.
Roel klonk bedenkelijk. We lagen allemaal op onze buik op de top en keken naar beneden naar de grotopening.
“Wat als we vallen?”
“Val drie meter naar beneden op de richel en je breekt waarschijnlijk een been. Dan kun je niet meer klimmen en moet je daar blijven liggen tot je doodgaat van de honger, of een beer je vindt,” vrolijkte Angela hem op. “Maar als je onhandig terechtkomt en ook van de richel afvalt kom je vijftien meter lager op de rotsen terecht en ben je meteen dood.”
Peter haalde zijn schouders op en slingerde zijn benen over de rand.
“Niet vallen dus”, zei hij, en begon voorzichtig omlaag te klauteren. De rotswand helde steil omlaag en was stoffig en glad, maar gelukkig staken er zo hier en daar stukjes uit waar je je voeten op kon zetten en struikjes waar je je aan vast kon houden.

Peter’s hoofd was al een halve meter onder de rand toen een van die struikjes loskwam uit de rotswand. Met een gil gleed Peter weg, omlaag, en hij viel met een smak op de richel. We sloten onze ogen in afgrijzen.
“Aaah! Mijn been, mijn been!” gilde Peter. En toen: “Help! Ik glijd weg!”
Ademloos en met onze ogen dicht wachtten we op de wegstervende gil en de krakende klap waarmee Peter te pletter zou slaan. Na een paar tellen begon Peter te lachen en beseften we dat we beetgenomen waren.
“Er ligt hier iets zachts,” riep Peter. “Probeer voorzichtig naar beneden te glijden, dan komt het goed!”

Een voor een waagden we de afdaling en belandden op de richel voor de grot. Angela kwam als laatste. Ze gooide eerst onze primitieve fakkels naar beneden voor ze zelf omlaag kwam. Bij het neerkomen op de richel verloor ze haar evenwicht en viel bijna verder naar beneden, maar Roel wist haar op tijd vast te grijpen.

Het zachte spul waar we op neergekomen waren bleek een stapel huiden te zijn.
“Van beren!” riep Roel enthousiast.
“Maar er zit nauwelijks haar op”, protesteerde Angela, “en de poten zijn veel te lang.”

We ontstaken de fakkels (had iemand lucifers meegepikt van thuis? Ja, maar ik ga niet verraden wie) en gingen de grot binnen.

De grot vormde een gang die dieper de rots in voerde. Hij was vrij hoog en ruim. We konden er makkelijk rechtop in lopen met zijn tweeën naast elkaar. Hij was wel bochtig en donker. De fakkels zorgden voor wat kleine schroeiplekken in vel en kleren - maar over wat onze moeders daarvan zouden zeggen maakten we ons nog even niet druk.

We kwamen in een ruimte terecht van meer dan tien meter doorsnede, en een paar meter hoog. Het flakkerende licht van de fakkels deed de schaduwen van de stalactieten en stalagmieten dansen en springen - als scherpe tanden in monden die naar ons hapten. We begonnen aan de boterhammen die we meegenomen hadden en aten de chips op. Freddy liet de zak drop rondgaan. Daarna verkenden we de grot - het slechte licht van onze fakkels vereiste dat we daarvoor de grot een paar keer op en neer gingen. Ongeveer in het midden troffen we een ondiepe holte aan, waarin verkoolde resten lagen van hout - en botten.
“Beren?” vroeg Roel zich hardop af.
“Beren maken geen vuur, dommerd”, zei Angela. “Dat doen alleen mensen. Er zijn hier mensen geweest.”
“Misschien die verdwenen kinderen?” vroeg ik. “Die kunnen verdwaald zijn hier, en dat ze dan op hun eten moeten jagen en het boven een vuur braden…”
“Holenmensen, durf ik te wedden” opperde Roel. “Nanderdalers of zo.”
“Neanderthalers” verbeterde Angela, en na kort soebatten waren we het erover eens: deze grotten waren door neanderthalers bewoond.

Zit maar niet zo meewarig te lachen, lezer. Tijd is nog veel flexibeler dan geografie.

Op deze grotkamer kwamen verschillende gangen uit. We gingen verder met verkennen, nu behoedzaam. Achter elke bocht kon een neanderthaler met een knuppel staan. Deze behoedzaamheid voorkwam waarschijnlijk dat Roel te pletter stortte toen een van de gangen onverwacht uitkwam op een diepe put. Ook zorgde het ervoor dat we heel goed opletten bij splitsingen en de gangen die we al gezien hadden markeerden. Wij zouden niet verdwalen en beren moeten jagen, wij niet.

Ondanks onze voorzichtigheid ging het mis. We liepen een gang door die naar beneden helde. Er hing een vreemde, penetrante geur die sterker werd naarmate we verder kwamen. We vroegen ons net af of we wel door zouden lopen toen Roel met zijn voet tegen een keitje stootte. Dat begon te rollen en door de hellende vloer bleef het rollen, met een ratelend geluid dat eindigde in een doffe plof toen het, ver buiten ons gezichtsveld, iets zachts raakte.

Het bleef even stil en toen hoorden we een stem: “Brrmpf?”. Dan het geluid van een opkrabbelend lijf en voetstappen die in onze richting kwamen, die al snel gevolgd werden door andere voetstappen.
“Jongens,” fluisterde Angela, “rennen!”

We renden. Het was donker en onze fakkels rookten en gaven weinig licht, en we misten een paar keer een markering waardoor we een verkeerde gang in liepen. We renden en kwamen steeds dichter bij de uitgang van de grot, maar de holenmensen achter ons kenden de weg en konden blijkbaar in het donker zien, want ze liepen snel op ons in. Terug in de grotkamer waren ze zo dichtbij dat we ze konden zien.

Trollen! Het waren geen neanderthalers, het waren trollen. Grijze, grove vormen, lomp en met misvormde ledematen en koppen. Maar sterk en snel. Onze paniek sloeg om in doodsangst - dat liet ons nog iets sneller lopen. Trollen - aten die geen mensen? Waar waren die vermiste kinderen eigenlijk gebleven? Buiten adem kwamen we bij de uitgang van de grot en konden nog maar net voorkomen dat we van de richel afvielen. Wat nu? We hadden nog helemaal niet nagedacht over hoe we vanuit de grot weer beneden zouden komen en nu was het een beetje laat om daarover te piekeren. Naar beneden kon niet, daar zouden we alleen als bloederige pulp terechtkomen. Omhoog naar de top dan? Klimmen terwijl er trollen aan je voeten trokken?

Er kwam ons echter niemand achterna de richel op. De trollen bleven iets dieper in de grot wachten, buiten het daglicht dat door de opening naar binnen scheen.
“Natuurlijk,” fluisterde Angela, “Trollen kunnen niet tegen licht. Dan verstenen ze.”

Opluchting dampte van ons af. Toen hij weer wat op adem kwam kreeg Peter ook iets van zijn bravoure terug. Hij stak zijn brandende fakkel naar voren en riep:
“Ha! Nou durven jullie niet meer he? Kom op dan, als je durft!”
De trollen reageerden niet. Peter werd stoutmoediger.
“Kom me halen dan!” riep hij, terwijl hij een stap naar voren deed. Het licht van de fakkel hield hij als een schild voor zich uit.
“Eh, Peter…” begon Angela, maar Peter luisterde niet en deed nog een paar stappen met zijn fakkel, de schaduw in.
“Ze kunnen alleen niet tegen zonlicht!” schreeuwde Angela, bijna op tijd. Peter draaide zich geschrokken om en wilde teruggaan toen een van de trollen voorover dook en hem bij een arm greep.

Peter deed aan judo. Dat had zijn redding kunnen zijn. In een reflex liet hij zich vallen en rolde om. De trol die hem nog steeds vasthield werd over hem heen getrokken en kwam zo in het zonlicht terecht. Hij liet Peter los en probeerde weer naar de schaduw te krabbelen maar zijn bewegingen werden al stijf en houterig. Peter gaf hem een paniekerige trap waardoor de trol richting richel rolde - en erover. We zagen nog zijn blik, versteend in afschuw, en een hand die bijna helemaal stijf naar houvast klauwde. Toen was hij weg, in stilte. Ruim een tel later hoorden we het geluid van steen dat uiteenspatte op de rotsbodem.

Op sommige momenten houdt de wereld even op met draaien. Er verstrijkt geen tijd, de natuurwetten worden tijdelijk opgeschort om de enormiteit van wat net gebeurde in te laten zinken. En als de wereld dan weer in beweging komt, stroperig traag en met tegenzin, gebeurt het soms dat hij de verkeerde kant op wentelt.

Peter lag nog waar hij zich had laten vallen. Hij kreunde en rolde met zijn hoofd. Zijn armen en benen schokten en veranderden: korter en dikker, krommer, grijzer. Zijn lijf zwol op tot mismaakte proporties en toen hij zijn ogen eindelijk weer opende keken ze uit een trollenkop.

“W...wat?” stamelde Roel.
“Hij is een trol geworden!” piepte Angela.
“Is het besmettelijk?” gruwde Freddy.
Ik zei niets.

De trol die Peter was geweest kwam moeizaam overeind en wendde zich tot de overige, wachtende trollen. Hij keek nog een keer naar ons om, met droeve ogen, en sjokte toen met de anderen mee dieper de grot in.

“Alsof - alsof hij de plaats van de gevallen trol moet innemen...” zuchtte Angela.

Het duurde twee uur voordat we weer beneden waren; in die twee uur zochten we onze weg en klommen we in stilte. We hadden geen woorden voor wat er gebeurd was. Er lagen nu meer vreemd gevormde keien op de grond onder de rotsopening, en ik vroeg me af of er vaker trollen naar beneden vielen. Een rotsscherf trok mijn aandacht en ik pakte die op en deed hem in mijn rugzak.

Het begon al te schemeren. We aten onze laatste boterhammen. Het avondeten hadden we gemist en onze ouders zouden ongerust zijn. We bedachten wat we moesten zeggen over Peter en wisten dat we niets konden zeggen wat geloofd zou worden. Hij zou een van de kinderen worden die op onbegrijpelijke wijze verdwenen.
“Zouden die andere vermiste kinderen daar ook zijn?” vroeg Freddy zich hardop af wat we allemaal dachten. “Opgegeten? Of zouden ze ook in trollen veranderd zijn?”

Later, toen de ergste commotie over was (en Peter inderdaad op de lijst vermiste kinderen was geplaatst) herinnerde ik me de rotsscherf in mijn rugzak. Ik pakte hem eruit en bestudeerde hem aandachtig. Als ik door mijn oogharen keek leek het net het gezicht van de trol die viel, vertrokken in angst en afschuw. Op zijn eigen manier was het mooi, of in ieder geval bijzonder. Ik gaf de scherf een mooie plek tussen mijn andere bijzondere stenen op de schouw.

Het gaf nog een heel gedoe toen mijn moeders vriendin weer langskwam en tot haar ontzetting het gezicht van haar verdwenen kind herkende.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen