zondag 4 juni 2017

Weerzien

De ruimte is geheel wit en niet gemeubileerd, op een tafel met twee stoelen in het midden na. De kale eenvoud van de kamer maakt de projectie eenvoudiger en realistischer. Hij zit in de ene stoel, zenuwachtig en gespannen te wachten tot zij plaatsneemt in de stoel tegenover hem. Voor het eerst in maanden, sinds dat fatale ongeluk, zal hij haar zien.

Dit is een toekomstverhaal. Een verhaal van een toekomst die dichterbij is dan je misschien denkt. Virtual reality is geperfectioneerd tot het punt dat mensen er soms in verdwalen, niet meer de virtuele van de reële wereld kunnen scheiden.

Een deur gaat open en zij komt binnen, aarzelend, aangemoedigd door een stem die buiten blijft. Ze sluit de deur en loopt naar de tafel toe, onzeker. De tranen stromen over zijn wangen, zijn handen beven. Ze is zo mooi als hij zich herinnert. Hij wil opstaan, naar haar toe lopen, haar omhelzen - maar hij weet dat de illusie niet stand zal houden en weerhoudt zich.

Doorbraken in quantumrekenen hadden de opslagcapaciteit en rekenkracht van computers bijna onbegrensd gemaakt. Filosofen die speelden met het idee dat het universum waarin we leven misschien louter een simulatie was, waren verbijsterd en verrukt over het feit dat onze techniek het inmiddels toestond dat we zelf significante delen van het universum simuleerden. Religies vervielen in chaos, nu Genesis in elke woonkamer kon worden nagespeeld.

Als ze gaat zitten ziet hij dat zij ook huilt. Het duurt even voor hij wat kan zeggen, maar tot dan drinkt hij met zijn ogen haar verschijning in. Deze klopt tot in de details. Het zenuwtrekje bij haar linkeroog, als ze gespannen is. Het begin van uitgroei in bij haar haren, waar een millimeter bruin het lange blond logenstraft. De tekening van de bruine irissen in haar nu natte ogen. En, als ze spreekt, de zweem van lispelen.

De onbegrensde reken- en opslagcapaciteit, samen met de doorbraken in 3D-scanning, leidden als snel tot de realisatie dat niemand meer hoefde sterven. Althans, niemand met een beetje geld en met het geluk snel na het overlijden gescand te worden. De complete structuur van de hersenen, alle neuronen en synapsen, kon worden gescand en geüpload, als een soort backup. En deze backup kon tot leven worden gebracht: de werking van alle neuronen, alle synapsen, kon worden gesimuleerd, en zodoende de persoon van wie die gesimuleerde hersenen waren weer tot leven wekken.

“Hai.”
Zij glimlacht onzeker naar hem. Hij glimlacht onzeker terug.
“Hai.”
Vanaf daar gaat het makkelijk. Hij, normaal gesloten, had altijd makkelijk met haar kunnen praten. En zij met hem. Ongemakkelijke stiltes waren er nooit gevallen tussen hen, en nu ook niet. Af en toe zwijgen ze, maar dat is niet ongemakkelijk. Dat is om naar elkaar te kijken. Om de aanwezigheid van de andere alleen maar te voelen.

Er waren natuurlijk wel ethische, praktische, en financiële bezwaren om een geüpload breinbestand voordurend te simuleren. Welke wereld moesten we het aanbieden? Eén met alleen maar andere overleden en gescande breinen? We konden tenslotte niet van de levenden verwachten dat ze voortdurend paraat zouden staan om met hun dierbare overledenen om te gaan. Rekencapaciteit was weliswaar goedkoop, maar nog steeds niet gratis. Wie ging het betalen?

Ze praten over koetjes en kalfjes. Kleine onbetekenende dingen. Niets recents. Niets van wat er sindsdien is gebeurd in de wereld, met dierbaren. De simulatie van de overledene wordt tenslotte na iedere sessie gereset naar de toestand van direct na de scan. Het gaat ook niet om het uitwisselen van informatie, alsof de dode nog meedoet. Het gaat alleen maar om het weerzien, het levend houden van de herinnering.

Dus werden de doden alleen weer tot leven gewekt als de nabestaanden dezen wilden zien. Voor goede raad, voor troost, voor het ophalen van zoete herinneringen. De levenden kregen een virtual reality ervaring met de doden, en de doden werd een wereld voorgeschoteld met de levenden. En na zo’n sessie werden de nieuwe ervaringen van de gesimuleerde weggegooid. Elke ontmoeting met hun nabestaanden zou hun eerste zijn. Ze zouden niet hoeven sterven, maar een leven konden we ze nog niet bieden.

Hun tijd is op. Ze fluisteren nog wat zoete woordjes naar elkaar, betuigen elkaar hun liefde.
Hij zegt
“Ik hoop je snel weer te zien. Ik zal mijn best ervoor doen.”
Zij zegt
“Eerlijk… ik weet niet of ik het nog een keer kan verdragen. Het lijkt elke keer moeilijker te worden om afscheid te nemen. En om weer over hetzelfde te praten - je komt niet meer mee met mijn leven.”
Hij kijkt haar verbijsterd na terwijl zij de kamer uitloopt. Dan realiseert hij zich dat hij de details van het fatale ongeluk niet meer weet. Hij verbergt zijn hoofd in zijn handen en hoopt vurig dat ze hem niet wéér tot leven zal laten wekken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen